Ode aan de nacht - Museumtijdschrift

31 augustus 2022
Ode aan de nacht - Museumtijdschrift

Melancholie, troost, schoonheid en falen openbaren zich in deze tentoonstelling van Pieter Laurens Mol. Hoewel bij het grote publiek niet erg bekend, ontwikkelde hij zich tot internationaal gerenommeerd kunstenaar.

Dertig jaar heeft het moeten duren, maar eindelijk is er in Nederland weer eens een uitgebreide tentoonstelling te zien van de in Brussel wonende kunstenaar Pieter Laurens Mol (Breda, 1946). ‘Nachtvlucht’ is nadrukkelijk geen overzicht van diens oeuvre (hoewel het er met deze hoeveelheid van kunstwerken vanaf de jaren zestig dicht bij in de buurt komt) maar een tentoonstelling waarin Mol zijn fascinatie voor het zwart in een waaier van betekenissen uiteenzet.

Pieter Laurens Mol, ‘Inertia’, 1979
Pieter Laurens Mol, ‘Inertia’, 1979


Caleidoscopisch inzicht
De prachtig ingerichte tentoonstelling (net als het begeleidende boek vormgegeven door Berry van Gerwen) oogt met de bijna tweehonderd schilderijen, tekeningen, collages, sculpturen, fotowerken en teksten als een kunst- en naturaliënkabinet waaruit je je maar moeilijk kunt losmaken. Stilaan word je langs verschillende rubrieken geleid met titels als ‘Hellevaart’, ‘Broederschap der Polen’, ‘Stille Smart’, ‘Ode aan de Nacht’ en ‘Geboorte van Kleur’. En halverwege kom je erachter dat dit meer is dan een tentoonstelling. Mol neemt je mee in een door hemzelf gecomponeerde installatie, een caleidoscopisch inzicht in zijn jarenlange preoccupatie met melancholie, troost, schoonheid, perfectie, overmoed en falen. Het begint al meteen bij de ingang met de tekening ‘Raketstart vanuit de Bredase Binnenstad’, een jeugdwerk uit 1965 van de negentienjarige Mol die vanaf zijn jeugd werd gefascineerd door ruimtevaart en de oneindigheid van het heelal. Met brandstof van gefermenteerde aardappelen lanceerde hij in de Bredase ouderlijke achtertuin zelfgebouwde raketjes.
Als zoon van een architect en met een timmermansopleiding zet Pieter Laurens Mol vakmanschap, proportie, liefde voor materialen en een perfect gemaakt kunstwerk op de voorgrond. In de jaren zestig en zeventig was hij met deze voorliefde – en superieure tekentalent – in de Fluxusbeweging een buitenbeentje: daar ging het immers om alledaagse dingen die tot kunstwerk werden gebombardeerd. En ook zijn voorkeur voor Leonardo da Vinci, Pieter Bruegel en de Delftse schilderkunst van Vermeer en Fabritius liep niet echt in de pas met die van zijn generatiegenoten.
Het thema van reiken naar het hoogste en diep vallen zou in zijn latere kunstenaarschap een web van motieven en verwijzingen aannemen. Een ervan is het verhaal van Icarus, die te dicht bij de zon komt en dat moet bekopen met een diepe val. Mol geeft het een summiere vorm in ‘Icarusbloem’ (1987), wervelende veren geklemd tussen glas en lood en een dot oranje loodmenie. Hetzelfde metaal komt terug in ‘Depositum Saturnium’ (1987) een venster met een ‘Mondriaanpatroon’ waarop hij druppels van oranje loodmenie aanbrengt. Mol noemt ze de tranen van de melancholie en duidt daarmee op de illusie van een gouden tijdperk waarop Mondriaan met zijn evenwichtige lijnen hintte.

Pieter Laurens Mol, ‘De Anonieme Getuigenis’, 1976-85


Wiegeliedje
Legio zijn de verwijzingen naar vogels op ‘Nachtvlucht’. De gele kanarie in ‘Nature Morte (Kanarie in de Kolenmijn)’ (2004-05) is een monument voor het reddend vermogen van zijn zang, die mijnwerkers waarschuwt tegen gasvorming in de mijngangen. Met de vogelnestjes in het fotowerk ‘Berceuse (Les Deux Nids) (1985-87) herinnert Mol aan Vincent Van Goghs portret van madame Roulin waarin eveneens de berceuse (wiegster of wiegeliedje) onderwerp is.
Hetzelfde wiegelied weet Mol verrassend persoonlijk te maken met ‘The Night of June 15th-16th’, wanneer hij in 1975 zijn toenmalige vriendin Moniek Toebosch slapend in bed fotografeert. Dat beeld combineert hij met een foto van de pikduistere hemel die nacht. Zo weet hij een poëtische draai te geven aan het dilemma welke van zijn twee liefdes te volgen: de aardse of de hemelse.

De observaties van Mol onttrekken zich aan de waan van de dag, ze zijn onmodieus. Dat maakt ze soms weerbarstig, als een noot die moeilijk is open te breken. Is het daarom dat musea al zolang zijn werk niet tentoonstellen? Dat is jammer, want uiteindelijk observeert Mol de menselijke conditie en dat maakt zijn werk, juist in deze tijd van de korte lonten, zo actueel.

De bijbehorende catalogus is uitgegeven bij WBooks of in onze museumshop, 192 blz., € 24,95

Pieter Laurens Mol, ‘Imminent Tempest’, 1999


Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief